1.
Kijk naar het woord dat je wilt vervoegen

Is dit de persoonsvorm?

Ja Nee

<
Persoonsvorm
Geen persoonsvorm
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
Enkelvoud
Meervoud
Eerste persoon
Tweede/derde persoon
Je/jij
Geen je/jij
Sterk werkwoord
Zwak werkwoord
Enkelvoud
Meervoud
't Kofschip
Geen 't kofschip
<
Infinitief
Bijvoeglijk naamwoord
Voltooid deelwoord
Onvoltooid deelwoord
Gebiedende wijs
<
<
<
<
Voorvoegsel
Geen voorvoegsel
<
<
<
<
't Kofschip
Geen 't kofschip
<
<
<
i

Het hele werkwoord (ook wel infinitief genoemd) is de vorm van het werkwoord zoals je dat in het woordenboek kunt vinden.

Voorbeeld

Ik moet er niet aan denken.

Sluiten
i

De persoonsvorm kan op drie manieren gevonden worden.

Sluiten
i

Vervoegen is het veranderen van de vorm van een werkwoord.

Sluiten
i

Een zin is bij wijze van spreken een verhaaltje dat begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.

Sluiten
i

De persoonsvorm is een vorm van een werkwoord. De persoonsvorm geeft allerlei grammaticale informatie.

Voorbeeld

De jongen fietst naar school.

Sluiten
i

De tegenwoordige tijd betekent dat een gebeurtenis die in een zin beschreven wordt, zich tegelijk of toekomstig afspeelt ten op zichte van het moment waarop de zin wordt uitgesproken.

Voorbeeld

De jongen fietst nu naar school. (tegelijk)
De jongen gaat naar school fietsen. (toekomstig)

Sluiten
i

De verleden tijd betekent dat de gebeurtenis die de zin omschrijft zich afspeelde voor het moment waarop de zin wordt uitgesproken.

Voorbeeld

De jongen fietste naar school.

Sluiten
i

Het onderwerp van de zin is degene, die of datgene wat in de zin iets doet of iets is.

Voorbeeld

De jongen fietste naar school.

Sluiten
i

Een zin staat in het enkelvoud als het onderwerp één ding of mens beschrijft.

Sluiten
i

Een zin staat in het meervoud als het onderwerp meerdere dingen of mensen beschrijft.

Sluiten
i

Een sterk werkwoord is een werkwoord dat in de verleden tijd van klank verandert.

Voorbeeld

De jongen loopt naar school.
De jongen liep naar school.

Sluiten
i

Een zwak werkwoord is een werkwoord dat in de verleden tijd niet van klank verandert.

Voorbeeld

De jongen fietst naar school.
De jongen fietste naar school.

Sluiten
i

Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling, toestand of welk proces in de zin centraal staat.

Voorbeeld

De jongen fietst naar school.

Sluiten
i

De ik-vorm van een werkwoord is een vorm van het werkwoord zoals je die zou vervoegen als de zin over ik zou gaan.

Sluiten
i

De stam van een werkwoord is het hele werkwoord -en.

Sluiten
i

De eerste persoon is de spreker zelf.

Voorbeeld

Ik fiets naar school.

Sluiten
i

De tweede persoon is degene die door de spreker wordt aangesproken.

Voorbeeld

Jij fietst naar school.

Sluiten
i

De derde persoon is niet de spreker zelf, niet degene die wordt aangesproken, maar een buitenstaander waarover gesproken wordt.

Voorbeeld

Hij/zij/het/de jongen/enz. fietst naar school.

Sluiten
i

't ex-kofschip is een ezelsbruggetje.
Door middel van dit ezelsbruggetje kan onthouden worden of de vorm van een werkwoord op een d of een t eindigt.

Als de stam van het werkwoord op een van de medeklinkers x, k, f, s, ch of p eindigt, schrijf je er een t achter.

Sluiten
i

Een bijvoeglijk naamwoord is een vorm die een (werk)woord aan kan nemen. Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Voorbeeld

Het verwoeste huis.

Sluiten
i

De gebiedende wijs is een vorm die een zin of een werkwoord aan kan nemen.

Een zin die in de gebiedende wijs staat drukt een bevel, verzoek, wens of advies uit.

Een zin in de gebiedende wijs heeft geen onderwerp.

Voorbeeld

Fiets nou eens door!

Sluiten
i

De voltooid deelwoord is een vorm die een werkwoord aan kan nemen. Een voltooid deelwoord wordt gebruikt om een voltooide tijd te vormen.

Voorbeeld

De jongen is naar school gefietst.

Sluiten
i

De onvoltooid deelwoord is een vorm die een werkwoord aan kan nemen. Een onvoltooid deelwoord geeft een manier aan waarop iets gebeurt.

Voorbeeld

De jongen gaat fietsend naar school.

Sluiten